Toen was ijs nog heel gewoon…

Slechts antieke exemplaren zoals ik weten dat er ooit tijden waren dat het water in de winter bevroor. Sloten en kanalen lagen dicht en in Friesland schaatsten ze van stad naar stad. In de winter van 1963 was de Westerschelde bezaaid met ijsschotsen en lag het kruiende ijs hoog tegen de Vlissingse Nolledijk. De scheepvaart werd er zwaar door gehinderd.                                                                                                                     Dus was dat eind 1964 allemaal heel normaal toen ik als kakelverse tweede stuurman aan boord stapte van m.s. ‘Nassauhaven’ voor een paar reisjes naar Denemarken en Zuid-Zweden. Op de Noordzee was nog niets te bekennen, maar op de Elbe, tussen Cuxhaven en Brünsbüttelkoog kwamen we de eerste ijsschotsen al tegen. Ook in het Kielerkanaal lag al tot pap vermalen ijs. In de Kieler Förde was het ijs nog stuk gevaren, maar eenmaal voorbij Friedrichsort en Laboe begonnen we de eerste grote ijsvelden te zien. De boeien van de mijnenvrije routes in de Westelijke Oostzee waren allemaal opgenomen en hier en daar vervangen door onbevuurde ijsprikken.

Ik kreeg van de Ouwe opdracht om op het voorschip samen met een matroos het grote zoeklicht te installeren en aan te sluiten. Ook op de beide brugvleugels werden schijnwerpers gemonteerd. De machinekamer was op zijn hoede dat de wierbakken van het buitenboordkoelwater weleens verstopt zouden kunnen raken met papijs. Dan moest er tijdelijk worden overgegaan op interne koeling vanuit een speciaal daarvoor ingerichte ballasttank. Al braken we aanvankelijk nog gemakkelijk door het ijs, toen we Gedser Rev naderden, werd het ijs steeds compacter. Gedser Rev is de zuidelijkste punt van Denemarken, daar begint de Oostzee.                                                            De Ouwe verdween af en toe in de kaartenkamer om ‘Det Danske Ismålinger’ oftewel de Deense ijsberichten te beluisteren. Ten noorden van Gedser zou het ijs snel dikker en vaster worden… Slecht nieuws voor de ‘Nassauhaven’ en die voor zware ijsgang veel te lichte Werkspoor TMAS278. Wij moesten nog ruim zestig mijl naar het noorden, naar het Zweedse Trelleborg.

Onze gezagvoerder heette Philip Adam, een robuuste Rotterdammer en zeer ervaren in de vaart op Skandinavië. Hij sprak vloeiend Zweeds en Deens. Die nacht tijdens de hondenwacht kreeg ik van hem een college ‘Varen in het ijs’. Samen hingen we voor het open stuurhuisraam te turen naar de door drie schijnwerpers verlichte ijsvlakte. Eigenlijk minder naar het ijs dan wel naar eventuele scheuren. De Spaanse roerganger leunde tegen het wiel, want sturen was niet meer nodig. Kapitein Adam liet het schip zijn eigen weg zoeken door ijsvelden en open scheuren. Het schip zocht dan auto-matisch de zwakste plekken in de ijsmassa. Zo scharrelden we tegen het einde van mijn wacht voorbij de hoge kliffen van Møns Klint. De laatste dertig mijlen naar Trelleborg zouden nog pittig worden.                                                                                  Om tien uur ’s morgens werd ik wakker omdat de hoofdmotor was gestopt. Toen ik boven op de brug kwam zag ik een stralend blauwe lucht en een spierwitte eindeloze ijsvlakte. Het schip lag vast in het ijs en volgens de eerste machinist was er door een hard stuk blauw ijs een blad van de schroef beschadigd. Volle kracht doordraaien had weinig zin meer. Kapitein Adam praatte via de radio met de Zweedse ijsbreker ‘Thule’, die ergens achter de witte horizon bezig was schepen te helpen. Omdat wij bestemd waren voor een Zweedse haven kregen wij voorrang. De ‘Thule’ zou zo snel mogelijk te hulp komen.

Een paar uur later doemde de zwartgele ‘Thule’ op, die eerst krakend door het ijs vlak voor ons langs daverde en daarna rakelings achterlangs. Om te kijken of we zelf weer in beweging konden komen. Dat lukte niet en daarop keerde de ‘Thule’ haar kont naar ons toe en werden we vastgemaakt. Bij de eerste ruk werd een complete bolderkast uit ons bakdek getrokken en werd de ‘Thule’ gevraagd het eens wat rustiger aan te doen. Iets wat je normaal gesproken nooit aan een Zweed hoefde te vragen… De ‘Thule’ sleurde ons daarna probleemloos door het dikke ijs, tot vlak voor de kade in de haven van Trelleborg.

Afgelopen winter bekeek ik  geregeld de Finse Baltic-Icecondition-Chart. In februari bespeurde ik nog hoog boven in de Botnische Golf, ten noorden van Lulea, een flinterdun streepje drijfijs. Verder was er in de hele Baltic geen enkel ijsblokje meer te bekennen…

   Send article as PDF   

2 thoughts on “Toen was ijs nog heel gewoon…

    • Het grappige is dat ik met wat spitten op www nog foto’s vond van de ‘Thule’ 53 jaar later.

Reacties zijn gesloten.