De Hoeders van het Patrimonium

 

Aan boord van elk schip moest er geregeld een sloepenrol worden gehouden.            Dat gebeurde vaak als het schip ergens voor anker lag. Er werd dan een motorsloep te water gelaten, er werd een rondje mee gevaren en in het scheepsjournaal werd daarna heel formeel vermeld… ‘Hielden heden een sloepenrol, beproefden alle reddingsmidde-len en uitrustingen, geen bijzonderheden.’                                                                     Dat laatste was niet helemaal waar, want er waren altijd wel bijzonderheden. Er werd namelijk nooit zomaar een sloepenrol gehouden. Altijd als er ergens een Bounty-achtig tropisch eiland, een hagelwit strandje of een idyllische moeraskreek in de kijker kwam, kreeg ik een haast onbedwingbare aandrang om acuut de opdracht voor een sloepenrol te geven.

Zo ook eind 1980 ten anker liggend op de Bonny River, in de buurt van de haven van   Port Harcourt in de gigantische Nigeriaanse Niger Delta. Deze uitgestrekte megadelta heeft een oppervlak van bijna tweemaal Nederland. Aan weerszijden van de rivier rezen de palmen en de felgroene mangrovebossen op en zagen we uit de diverse moeraskre-ken loom peddelende Nigerianen komen om te proberen een visje te verschalken. Staande in hun wiebelkano’s wierpen zij op elegante wijze hun werpnetten in het water.

De lossing van ons schip verliep tergend langzaam en daarom werd het de hoogste tijd voor wat afleiding… een sloepenrol dus! Onze lokale en goed bewapende wachtsman wist feilloos de weg door de swamp en dus moest ie mee. Dat was maar goed ook want na drie bochten en twee kreeksplitsingen was ik al lost. Rustig tuffend met het sloeps-dieseltje hoorden we allerlei rare dierengeluiden en zagen we kleine krokodillen haastig het talud van de kreken af duiken.                                                                                     Na een tijdje kwamen we aan bij een nederzetting. Met hutten van palmbladeren en een krakkemikkig piertje.Na enig aanroepen van onze wachtsman mochten we daar aan- meren. Het bleek een piepklein dorpje te zijn waar een aantal families woonden die daar van de visvangst leefden. Schrijnend primitief weliswaar, maar juist dat prikkelt al-tijd onze warme belangstelling.                                                                                           Wij werden plechtig aan een oud gerimpeld mannetje voorgesteld. Dat bleek de Chief te zijn. Zijn kleinzoon sprak aardig Engels en troonde ons vol trots mee naar de zoet-waterbron van het dorpje. Dat was een klein modderig putje waaruit een beetje water omhoog borrelde. Begeleid door een sliert kinderen gingen we weer terug naar de ver-zameling armoedige hutten.                                                                                                Gezeten in de schaduw van een grote boom vertelde de kleinzoon dat dit dorpje heel vroeger naast een Engels fort had gelegen. De laatste overblijfselen van dat fort lagen op een slordige hoop onder de boom… een hele stapel oude bronzen kanonslopen.   Mijn Zeeuwse koopmansbloed begon meteen te bruisen! Zo’n kanonsloopje leek me wel wat, voor thuis, in de tuin! We beloofden daarom de volgende dag terug te komen, vrolijk uitgewuifd door een bataljon Nigeriaanse kleuters.

De volgende dag ging de motorsloep weer te water en voeren we linea recta naar het negerdorpje. Voor vertrek hadden we aan boord nog even snel een spontane ontwikke-lingshulpactie op touw gezet. We waren daarom voorzien van gecondenseerde melk voor de kleintjes, sigaretten en T-shirts voor de heren en een grote doos met levens-middelen voor de dames. Zelf had ik een rol dollars in de kontzak, plus een plastic zak met een paar sloffen sigaretten en flessen whisky. Daarmee had ik zeker die kanons-lopen voor het uitzoeken, dacht ik zo… no problem.                                                       Na de gebruikelijke plichtplegingen deed ik via zijn kleinzoon een eerste bod aan de Chief voor het kanonsloopje van mijn keuze. Dat bod werd vriendelijk doch beslist afge-wezen. Geduldig verhoogde ik mijn bod een paar keer, maar die gerimpelde Chief bleef bij herhaling beleefd doch halsstarrig weigeren. De kleinzoon legde mij tenslotte min-zaam glimlachend uit waarom het toch echt geen zin had om nog verder te bieden… ‘Sir, these cannons belong to our forefathers and we will never sell anything from the inheritance of our forefathers..!’.                                                                                      Holy Bananas! Daar zat ik dan te zitten met al mijn sigaretten, whisky en dollars! Ik voelde me door de Chief en zijn kleinzoon, overigens geheel terecht, flink voor joker gezet. Ik realiseerde mij ook meteen dat wij in Nederland in staat zijn om voor elk goed bod letterlijk alles te verkopen wat maar los en vast zit. Maakt totaal niets uit wat het is… de Nachtwacht, het Feyenoordstadion of de Gouden Koets.                                      Maar deze mensen, diep verscholen in de Nigeriaanse swamp en uiterst primitief naar onze eigen neerbuigende maatstaven, bleken wel een zodanig grote eerbied voor hun erfgoed te hebben dat ik mij bij hen vergeleken maar een lompe hork voelde. Met een waardig hoofdknikje nam de Chief daarna de sigaretten en de whisky in ontvangst die ik hem toen maar schuldbewust cadeau heb gedaan.

Ik moet nu nog wel eens aan mijn blooper in de Nigeriaanse jungle terugdenken als de nonchalante wijze waarmee wij met ons Nederlandse patrimonium omgaan zich weer eens schrijnend manifesteert. Wij gaan hier in elk geval heel wat sneller voor een paar dollars door de knieën dan een Nigeriaanse Chief van een minuscuul vissersdorpje.

   Send article as PDF